Het strak opgemaakte witte satijn staat in schril contrast met de jeugd die jij me gaf. Kleurrijk, chaotisch, verkennend. In het slopende ritme van jouw ademhaling deint het laken langzaam op en neer.
De postbode zet zijn fiets tegen de houten schutting. Ik denk aan de vele brieven die jij mij schreef, toen ons enige contact uit collect calls en een fax bestond. Aan de andere kant van de wereld maakte ik de reis van mijn leven en jij liet mij los. Vrij om te helen van de ziekte die mij letterlijk opvrat. Down Under waren geen psychologen, artsen en weegschalen die op mij wachtten.
Er waren vooral geen ogen die ieder hapje mijn mond in keken, het liefst mijn strot in duwden. Die anonimiteit was mijn redding en jouw laatste strohalm. Van één been in het graf naar reislustige, gezonde negentienjarige. Dankzij jouw heldhaftige durf, tegen alle adviezen van de geleerden in.
De pomp maakt monotone geluiden, de morfinespuit gaat tot het derde streepje. Ik pas mijn ademhaling aan om een te zijn met jouw ritme. Niet te doen, zo langzaam. Het lijkt of je bent gestopt maar dan begin je weer. Voorzichtig pak ik je hand en streel je flinterdunne huid. Van vrolijke, ondernemende moeder naar één stap tot de dood.
Alles in mij wil jou blijven ruiken, voelen en vasthouden, hoe egoïstisch ook. Ik kruip naast je en geef je kusjes. Hele zachte, zoals een oma haar pasgeboren kleinkind kust. Je hand strijk ik teder langs mijn wang, zoals een trotse moeder haar dochter die de bruid is streelt. Het zijn toekomstbeelden die opgaan in de mist, want ik laat je gaan, mam. Ik laat je vrij, enkele jaren nadat jij mij dapper uitzwaaide. Ik hou je hand nog even vast en dan laat ik je los. Uit liefde.
Het satijnen landschap gaat voor de allerlaatste keer op en neer.
Op je nachtkastje ligt een enveloppe met mijn naam erop. Ik open hem en lees door mijn tranen heen jouw handgeschreven woorden: “Lieve dochter, geef dat kleine wondertje in je buik een kusje van oma.”
Met grote ogen kijk ik van mijn buik naar jouw bleke gezicht.
